Februari 2011 publiceerde de Stichting tot Behoud van den Doornenburg de eerste - en naar het ernaar uitziet de laatste - editie van Floris, magazine van kasteel de Doornenburg. Enkele bijdragen van mij vindt u hieronder.

Ridder Ernst Daniël Smid vertelt

Liefde voor het vertellen van verhalen klinkt door in al het werk van Ernst Daniël Smid. Als bariton beeldt hij personages uit opera's uit en in documentaires vertelt hij gepassioneerd over opmerkelijke voorvallen uit de vaderlandse geschiedenis. 'Ik wil precies weten wie de man was over wie ik zing. Dan pas kan ik hem zo waarheidsgetrouw mogelijk neerzetten.' De opera wekte zijn belangstelling voor de muziekgeschiedenis en die bleef niet tot de muziek beperkt. 'Het gaat me om kunst en schoonheid. Daarmee wil ik een breed publiek bezielen.'

Hij had het graag georganiseerd: een Royal Christmas in het Arnhemse Musis Sacrum, maar de publieke belangstelling was te gering. 'Jammer, want het is toch prachtig om mensen te laten eten en drinken in een concertzaal die tot een middeleeuws ridderverblijf is omgebouwd, en ze met muziek in een spirituele sfeer te brengen?' Als operazanger doet Ernst Daniël Smid eigenlijk hetzelfde. Ook dan moet hij een gebeurtenis uit het verleden tot leven brengen. 'Ik mag nadoen wat iemand anders heeft gecomponeerd.' Maar met al-leen imiteren is hij er niet, dat zou zijn vakmanschap tekort doen. 'Hoe ik een stuk interpreteer en een figuur een eigen kleur geef, moet ik zelf uitzoeken. Daarom ben ik verplicht om de achtergrond van de muziek uit te zoeken. Opera en geschiedenis zijn voor mij onlosmakelijk met elkaar verbonden.'

'Geschiedenis is een verslaving'
Verdiept hij zich in een historische kwestie, dan doet hij dat met hart en ziel. 'Een soort verslaving is het geworden, alles wil ik dan weten.' Neem Tsjaikovski. Als die Russische componist aan cholera overleden is, waarom is hij dan in een open kist opgebaard? Dat is toch gevaarlijk voor de volksge-zondheid? 'Er moet iets anders gebeurd zijn, want zijn muziek had al langer een sombere klank waar-in de dood doorklinkt. Hij moet geweten hebben dat hij ging sterven. Ik duik dan in de archieven en ben in de complottheorie van historici gaan geloven die beweren dat hij door een homoseksuele rela-tie gedwongen is om zelfmoord te plegen.'

'Ik moet het van mijn instincten hebben, maar probeer altijd de waarheid te vertellen'

Zijn verslaving kan Ernst Daniël Smid ook goed kwijt in documentaires als Wonderlijke Wegen en Kaaskoppen en Waterlanders die hij al jaren met groot succes voor verschillende omroepen maakt. 'Documentaires maken vind ik geweldig. Ik kan de verhalen vertellen op de manier die ik zelf wil. Niks geen autocue waarvan ik teksten van anderen kan aflezen. Nee, net als bij het vertolken van een figuur in een opera, kruip ik als verteller in de huid van mijn historische personages. Natuurlijk vertel ik altijd een waargebeurd verhaal.'

'Dat mannetje ben ik'
Zowel met zijn documentaires als zijn operavertolkingen wil Smid een groot publiek bereiken. Dat komt hem vaak op de nodige kritiek te staan. 'Kennelijk valt dat slecht bij een deel van de elite die mijn documentaires te weinig academisch vindt, en meent dat opera's over hoogverheven zaken gaan.' Dat laatste bestrijdt hij ten stelligste. 'Componisten als Verdi en Puccini schreven voor de brede onderlaag van de samenleving. In opera's gaat het meestal ook niet over hemelse zaken, maar over gewone denkbare drama's die dicht bij de mensen staan. Iemand moet het lef hebben de muziek naar beneden te laten doorzakken. Dat mannetje ben ik een beetje geworden.'

De mensen die hij wil bereiken, waarderen dat. Zijn fans hebben hem daarom voor een lintje voorge-dragen. Sinds 2008 is hij Ridder in de Orde van Oranje-Nassau wegens zijn grote verdiensten voor de klassieke muziek en zijn bijdrage aan goede doelen. Hij is er trots op. 'Als alle jongetjes van mijn generatie speelde ik riddertje met zelfgemaakte zwaarden. Door TV-Series als Floris en Ivanhoe is mijn gevoel voor romantiek opgewekt. Nu ben ik zelf een van de ridders van de majesteit.'

Die onderscheiding bevestigt hem in zijn opvatting over zijn rol als performer die kunst en schoonheid wil overbrengen. Hij communiceert graag met zijn publiek. 'Een ander zou kunnen zeggen: het publiek moet met mij communiceren. Dus ik bied ze iets aan en daar moeten ze maar mee doen wat ze willen. Soms kan dat ook niet anders. Maar als het enigszins mogelijk is, probeer ik te laten zien hoe ik op dat moment over de scène denk.'

Het pronkstuk

Als je als weduwe alleen het vruchtgebruik van een kasteel hebt, heb je er weinig baat bij om de boel een beetje bij te houden. Laat de eigenaar dat maar doen. Maria Clara von Delwig stond er al vroeg alleen voor, want baron Jacob van Bemmel, haar bijna vijftig jaar oudere echtgenoot, liet haar al snel alleen achter. Het verhaal deed in die tijd de ronde dat ze bij tijd en wijle wat ontspanning zocht door met verve de lustige Witwe te spelen. Op zijn schilderij 'Het kasteel Doornenburg bij winterdag' laat Carl Hilgers de aftakeling van de burcht pijnlijk nauwkeurig zien. 'Kijk', wijst Piet Hendriks, beheerder van de museale collectie van de Doornenburg, 'hangtoiletten werden in 1851 allang niet meer gebruikt, maar niemand heeft de moeite genomen de afvoerpijpen aan de buitenzijde van het kasteel weg te halen. Daarnaast zie je de afwatering van een moderner toilet.' Geld om het oorspronkelijk spitse dak van de spietoren te vervangen was er niet. Gewoon afgevlakt toen het kapot was. 'Merkwaardig dat de schilder op de zuidwest wachttoren een uivormig dak heeft gezet. Die past niet bij een middeleeuws kasteel in Nederland.'

Toch toont het schilderij voor bijna honderd procent de Doornenburg zoals het kasteel in 1851 was. Rechts staat het eikenbos dat later gerooid is om het hout te verkopen. 'Eén eik staat er nog steeds, onze duizendjarige eik waarover historici het maar niet eens kunnen worden of die jonger of ouder is.' Aan de raampartijen die in de muren uitgehouwen zijn, kun je zien dat het kasteel in die tijd een woonverblijf was geworden. De veiligheid van de bewoners kwam daardoor niet in gevaar, want het kasteel had zijn strategische waarde verloren. Bij een belegering – de Doornenburg is nooit belegerd – zou het moderne wapentuig weinig moeite met het gedateerde verdedigingswerk hebben.

Het schilderij laat twee markante verschillen met de huidige situatie zien. In Hilgers' tijd stond het gebouw direct in de gracht waardoor het water vrij spel had om de poreuze stenen aan te tasten. Bij de restauratie wilde men dat voorkomen door het kasteel droog op een soort talud te plaatsen. Nu is het kasteel een grote massa rode bakstenen, in 1851 was het grotendeels gepleisterd. Ooit wit, maar langzaam grijs geworden. De verloedering ten voeten uit. Een beetje somber is het wel, dat donkere winterse tafereel van Carl Hilgers. Maar toch is Piet Hendriks blij dat Jan van Heek, die het initiatief nam het vernielde kasteel in de twintigste eeuw te laten herbouwen, in 1973 namens de Stichting tot behoud van de Doornenburg het schilderij bij veilinghuis Christie's kocht - de provincie Gelderland droeg met een subsidie bij. 'Ik vind het uniek dat we dit schilderij in ons bezit hebben. Het is een van de pronkstukken van ons museum. Het is ons kasteel.'

Schatten uit de kluis

Zie je een facsimile-uitgave van een oud manuscript, dan bevangt je een gevoel van eerbied. Het minutieus gekopieerde handschrift heeft bijna de status van het origineel en mag dan ook alleen met toestemming ingekeken worden. Net als andere bibliotheken bewaart de Nijmeegse Universiteitsbibliotheek haar facsimile's in de kluis. Om daaraan meer bekendheid te geven organiseerden 15 studenten in de kunstgeschiedenis een expositie met 37 van de circa 400 kunstzinnig versierde handschriften die in het bezit zijn van de universiteit. De tentoonstelling 'Gedrukte handschriften, schatten uit de kluis' is inmiddels afgelopen, maar voor wie geïnteresseerd is, staat de kluis dagelijks open om een selectie van bijna duizend jaar boekverluchting rustig te bekijken.

Monnikenwerk moet het in de middeleeuwen geweest zijn om een boek of prent met eindeloos geduld te kopiëren. Toch deden die kopiisten het met vaste hand, precisie en vooral zitvlees en liefde voor het vak. Maar de techniek stond niet stil. Zo nemen in onze tijd ingenieuze apparaten het handwerk over en maakt offsetdruk natuurgetrouwe reproducties die nauwelijks van echt te onderscheiden zijn. Zelfs de beschadigingen en perkamentvlekken worden weergegeven.

Een bezoek aan de Bibliothèque nationale de France in Parijs is niet meer nodig om het Psalterium van Sint Lodewijk te bestuderen. In de Nijmeegse Universiteitsbibliotheek ligt een levensecht duplicaat dat op aanvraag in te zien is. En wie door het gedrang in het Valkhof Museum de expositie over de Gebroeders van Limburg van enkele jaren geleden niet goed kon bekijken, kan nu zelf de getijdenboeken Belles Heures en Les Très RichesHeures de Jean, duc de Berry bladzijde voor bladzijde met gepaste omzichtigheid omslaan.


Bouwen als in de middeleeuwen

Het was na de Tweede Wereldoorlog al een hele toer om kasteel de Doornenburg met moderne technieken te herbouwen, in Guédelon in de Bourgogne maakt een vijftigtal arbeiders het zichzelf wel heel erg moeilijk door van de grond af een kasteel te bouwen met de middelen die in de dertiende eeuw ter beschikking stonden. In 1997 begon een aantal enthousiastelingen aan hun onvoorstelbare project en na 25 jaar, in 2022, moet een kopie van het middeleeuwse kasteel opgeleverd worden. Al voor Guédelon gereed is, is het initiatief een succes. Per jaar trekt de bouwplaats meer dan 300.000 bezoekers waardoor Guédelon al tien jaar zichzelf financieel kan bedruipen.

Er zijn nogal wat kastelen in Frankrijk die gevaar lopen een ruïne te worden. Michel Guyot is dat een doorn in het oog en hij zet zich daarom fanatiek in voor het behoud van het Franse erfgoed. In 1979 kocht hij voor enkele duizenden francs het bouwvallige kasteel in de gemeente Saint-Fargeau. Ga er maar aanstaan: het dak stond op instorten, de muren vertoonden scheuren en dan was er nog een hele reeks mankementen die we maar eufemistisch achterstallig onderhoud zullen noemen. Kortom, Michel had letterlijk een puinhoop gekocht.

Bezoekers aan Guédelon wanen zich in de dertiende eeuw als ze de bouwplaats betreden.

Experiment met idealen
De bouw werd de eerste jaren gefinancierd door enkele privésponsors die zich volledig in de doelen van het plan konden vinden. Want Guédelon is niet alleen een archeologisch experiment, maar heeft ook een pedagogisch doel. Jaarlijks worden op de bouwplaats ongeveer 60.000 scholieren rondgeleid om ze te laten zien hoe men in de middeleeuwen leefde en werkte. Verder is het een werkgelegenheidsproject voor mensen met weinig kansen op de arbeidsmarkt. Nu zijn er circa 50 bouwvakkers in dienst: ervaren vaklui en starters. In eendrachtige samenwerking bouwen ze steen voor steen het kasteel. Net als in de dertiende eeuw gebruiken ze daarvoor natuurlijke materialen uit de omgeving en werken ze met gereedschappen die ze zelf met de hand gemaakt hebben en een kopie zijn van de instrumenten waarmee de middeleeuwse arbeiders werkten.

Openlucht laboratorium
Om de manier van bouwen uit de dertiende eeuw te kunnen imiteren verzamelde Michel Guyot een team van historici, archeologen en kenners van kastelen om zich heen. Ze deden een studie naar hoe het kasteel er ooit heeft uitgezien en hoe men in de middeleeuwen een bouwproject aanpakte. Bezoekers aan Guédelon wanen zich in de dertiende eeuw als ze de bouwplaats betreden. Geen geluid van elektrische boormachines of lawaaierige betonmolens, geen liften of andere moderne hulpmiddelen om de arbeid te verlichten, maar bouwvakkers in middeleeuwse kledij die bezig zijn met de middelen uit die tijd en in het tempo dat toen gewoon was. Bezoekers lopen door een openlucht laboratorium en ervaren aan den lijve de middeleeuwen.

Foto's van Guédelon.


Een slapend beest

De Rijn ligt er zo rustig bij, maar de rivier is volgens Sanne Terlouw een slapend beest met een vernietigende kracht. Samen met haar vader Jan Terlouw, jeugdboekenschrijver en Commissaris van de Koningin in Gelderland tijdens het hoogwater van 1995, schreef ze Verdronken dorpen in Gelderland. Ze beschrijven daarin de geschiedenis van zes kleine Gelderse gemeenschappen die in de loop der eeuwen door het allesverwoestende water zijn weggevaagd.

Met het boek probeert opdrachtgever het Cultuurpact rond Arnhem de verdwenen dorpen aan de vergetelheid te onttrekken en ons eraan te herinneren dat ook Gelderland een bijzondere geschiedenis met water en overstromingen heeft. Rijn, Waal en Maas stromen door de provincie en zorgen al eeuwenlang voor een prachtig landschap, maar veroorzaken ook huiveringwekkende gebeurtenissen. De publicatie bevat tevens twee fietsroutes die langs de bijzondere plaatsen leiden.

Informatie Verdronken dorpen


Keramiek: mooi en bruikbaar

De Doornenburg is 23 en 24 april het decor van de keramiekmanifestatie Castel Clay. Een keur aan keramisten van naam uit binnen- en buitenland exposeert dan in en rond het kasteel. De kunstenaars zijn geselecteerd op kwaliteit en verscheidenheid. Een van hen is Monique Polman.

'Op vakantie in Zuid-Frankrijk zag ik een vrouw heel relaxt in haar atelier aan het werk. Die rust, dat overviel me. Dat je zo ook kan werken. Zelf ben ik iemand die graag hard werkt, maar ik heb de neiging dat een beetje te overdrijven. Ik was dan ook op vakantie gegaan, omdat ik aan rust toe was. Vijf jaar in het restaurant van V&D en nog eens vijf jaar in Het Hemelse Gerecht in Utrecht heb ik met deadlines te maken gehad. Natuurlijk wilde ik altijd een perfect gerecht op tafel zetten, want wat je doet, moet goed zijn.'

'De horeca is een goede omgeving om overspannen te worden. Daarom ben ik een bloemistenopleiding gaan volgen. Dat sloot een beetje aan bij mijn opleiding handvaardigheid en textiele werkvormen die ik in Utrecht heb gedaan. Maar in een bloemisterij is het ook tegen deadlines aan werken en dat jachtige bestaan had ik wel gezien. Dus toen ik die Française in alle rust aan haar draaischijf bezig zag, wist ik het meteen: dat is het, met dat werk kan ik heel gelukkig worden. Thuis heb ik een draaischijf gekocht en heb een opleiding en een stageplaats gezocht. Intussen ben ik tien jaar keramiste.'

'Toen kwam alles bij elkaar. Niet dat ik dat gepland had, maar het gebeurde gewoon. Een docent van een vroegere studie van mij vroeg of ik voor zijn vijftigste verjaardag de catering wilde verzorgen en de Amstelveense Kunstuitleen waar keramisch werk van me staat, vroeg of ik voor hun klanten wilde koken. Bloemen hebben altijd mijn belangstelling gehouden en ik werd gevraagd keramisch werk voor een bloemisterij te maken. Met alles wat ik in mijn leven beroepsmatig gedaan heb – restaurantkok, bloemist en keramist – houd ik me nu tegelijk bezig en op een manier waarop ik een burn-out kan voorkomen.'

'Verzorg ik een catering, dan doe ik dat het liefst met een servies dat ik zelf heb gemaakt. Heel mooi vind ik mijn stapelservies met vier etages steengoed borden. Elk plateau bevat een gang van het diner. Op het bovenste bord ligt het voorgerecht, bijvoorbeeld pasta met boleten, en op de drie borden daaronder liggen de volgende gangen. Het stapelservies wordt als één geheel op tafel gezet. Een rechaud, ook van steengoed, houdt de gerechten warm. Het aardige van mijn stapelservies vind ik dat de degene die het diner gekookt heeft, gewoon kan mee-eten.'

Informatie Monique Polman

De keramiekmanifestatie Castel Clay is te bezoeken op 23 en 24 april 2011 in kasteel De Doornenburg. In een van de zalen van het kasteel is keramiek te bezichtigen dat Museum Boijmans Van Beuningen ter gelegenheid van de permanente expositie 'Het dagelijks leven in de 15e eeuw' in bruikleen heeft gegeven


Die zomer van 1970

Een emotioneel weerzien moet het voor Gilbert & George geweest zijn, toen ze na jaren hun geschilderde 'sculpturen' The Paintings (with us in the Nature) in het Kröller-Müller Museum terugzagen. Maar hun emoties in het openbaar tonen, is het saai ogende kunstenaarsduo vreemd. Hun gevoelsleven uiten ze liever in spraakmakend werk. Bij de vernissage op 8 juli vroeg het Museum om respect voor de terughoudendheid die het duo op prijs stelt, maar het publiek liet zich er niet van weerhouden een handtekening te vragen of zich met hun helden te laten fotograferen. 'Art for all' vindt nog steeds weerklank.

'Het is weer voorbij die mooie zomer' zong jaren geleden een Nederlandse zanger. Het Engels-Italiaans kunstenaarsduo Gilbert & George moet in 1971 hetzelfde nostalgische gevoel hebben gehad, maar drukte zijn heimwee naar zonnige maanden niet uit in een lied, maar in zes reusachtige geschilderde triptieken. Hun verlangen hadden ze best in gezang kunnen ventileren, want de jaren zestig en zeventig waren een periode van artistieke experimenten, zoals de conceptuele kunst, waarin kunstenaars de communicatie van ideeën belangrijker vonden dan de materiële vormgeving ervan.

Maar dat Gilbert & George met The Paintings teruggrepen op de vaak als kinderlijk omschreven stijl van de vroegtwintigste-eeuwse schilder Henri Rousseau, vonden de critici toen niet inspirerend. The Paintings waren bovendien in een wel erg traditionele kunstvorm gegoten. De triptiek – een drieluik met een middenstuk en twee scharnierende panelen - deed recensenten te veel aan orthodoxe religieuze kunst denken.

Het leven als kunstwerk
Binnen de conceptuele kunst waren Gilbert & George sowieso buitenbeentjes. Hun werk is doorspekt met humor en altijd probeert het tweetal op hun manier leven en kunst te verbinden. Zo zetten ze zich in musea als levend beeldhouwwerk te kijk en in een videoperformance dansten en zongen ze als muzikale 'sculpturen'. Fotografie werd uiteindelijk hun artistieke medium. Conform de sixties maakten ze naar inhoud en vorm kunst voor allen.

Gilbert & George proberen altijd leven en kunst te verbinden. Zo zetten ze zich in musea als levend beeldhouwwerk te kijk en in een videoperformance dansten en zongen ze als muzikale 'sculpturen'.

Maar in 1971 maakten ze met hun zes enorme triptieken een uitstapje naar de traditionele schilderkunst. Een 'new romantic sad beautiful sculpture' noemen ze hun schilderij. Gewend als ze waren aan hun eigen kunstwerk deel te nemen, schilderden ze zichzelf als figuranten in de overweldigend groene natuur. Hun pose is rust en ongedwongenheid, maar de toeschouwer die de moeite neemt wat langer te kijken, ziet al gauw barstjes in hun paradijselijke voorstelling. De ironie die hun werk karakteriseert, is ook in The Paintings duidelijk te herkennen.

[Kröller-Müller Museum heeft The Paintings van Gilbert & George tot 21 november 2010 in leen gehad, daarna is het werk gekocht.]